Logo Utrecht University

Media en Cultuur – Academische Vaardigheden en Onderzoek

2. Schrijven korte/middellange tekst

Probeer de motivatie op te brengen om te tekst te schrijven in twee fasen: schrijf eerst een eerste versie en neem daarna de tijd om deze te herschrijven. Schud bij het werken aan de eerste versie het idee van je af dat elke zin in één keer perfect moet zijn. Pas als alles er in conceptvorm staat, wordt het zinvol om tijd te besteden aan de precieze afwerking: schrappen en samenvoegen van zinnen, herformuleren, schuiven. Werk kortom met met verschillende schrijfrondes.

Voor al de volgende punten geldt: hou er tijdens het schrijven van de eerste versie rekening mee, maar zorg dat het je schrijftempo niet teveel ophoudt. Besteed er vooral bij de definitieve versie voldoende tijd aan.

Introduceer je onderwerp met een pakkende inleiding

De introductiealinea, de inleiding op de tekst, is in zekere zin de belangrijkste. Die bepaalt zowel qua vorm als inhoud of lezers doorlezen. Een docent ziet daar vaak al aanwijzingen of iemand de stof heeft begrepen, het onderwerp beheerst en zorgvuldig werkt. Dat geldt ook voor korte teksten, en zeker ook voor tentamenvragen, al zal het daar eerder gaan om de eerste paar zinnen, en niet om een hele alinea.

Een academische inleiding van een middellange tekst kan uit meer dan één alinea bestaan. In elk geval moeten de inleidende alinea’s de volgende ingrediënten bevatten: hetonderwerp of fenomeen dat wordt behandeld (wat), je motivatie (waarom), de hoofdvraag die daarover wordt opgeworpen (welke), plus een benoeming van – afhankelijk van het type tekst – de bronnen, publicaties, methoden, auteur(s), scholen of concepten die bij de beantwoording zullen worden gebruikt (wie, waar, wanneer).

Het is belangrijk om direct al in de inleiding specifiek te zijn, en klassieke WWWWW-details te noemen: wie, wat, waar, wanneer, en waarom. Bedenk dat je geen fictie schrijft waarbij clou onverwacht op het einde komt; de lezer wil meteen weten wat je beweert, en vervolgens hoe je dat onderbouwt. Schrijf nooit (ook niet op tentamens) ‘in het tweede artikel uit de reader’, of ‘tijdens het college kwam aan de orde’. Dat is niet alleen te weinig specifiek (noem auteur, titel en jaartal; situeer een debat inhoudelijk), ook is het zaak elke academische tekst te schrijven alsof je publiek bestaat uit lezers van buiten de cursussituatie. Dat behoedt je ook voor de gedachte ‘de docent snapt hier wel wat ik bedoel’ – immers, mocht de docent het al snappen, het is hoe dan ook niet de bedoeling dat de docent het denkwerk doet dat jij wordt geacht uit te schrijven.

Open met een informatieve en pakkende openingszin die de interesse wekt van de lezer. Open je tekst nooit met: ‘Ik zal in dit betoog xxx’. Dat kan pas na een inhoudelijke introductie, bijvoorbeeld in de derde of vierde zin van de inleiding; als openingszin stoot het de lezer af.

Er zijn verschillende manieren om je onderwerp te introduceren. In het geval van betogend-analyserende teksten waarin je een stelling verdedigt, kun je de tekst openen met de stelling of hoofdvraag, en als het ware met deur in huis vallen:

De Hollywoodfilm is beter in staat om een illusie op te roepen dan het theater. Dat idee is terug te vinden bij xxx.

Is de Hollywoodfilm beter in staat om een illusie op te roepen dan het theater? Er zijn aanwijzingen dat xxx.

Talige communicatie zorgt voor minder misverstanden dan beeldcommunicatie. Dat idee is terug te vinden bij xxx.

Zorgt beeldcommunicatie voor meer misverstanden dan talige communicatie? Er zijn aanwijzingen dat xxx.

Toch is dat een nogal bot begin; vaak is het fraaier om de lezer via een omweg naar je punt toe te leiden. Bijvoorbeeld door te vertrekken vanuit een debat of een fenomeen:

Een van de terugkerende discussies in het mediavergelijkend onderzoek concentreert zich op de vraag of xxx.

Tekst en beeld dragen op verschillende manieren bij aan het begrijpen van audiovisuele teksten. In het geval van het reclamefilmpje van xxx etc.

Ook een uitdagende stelling brengt je tekst lekker op gang:

Het internet wordt vaak gezien als inherent democratisch medium. Dit idee is even wijd verspreid als onjuist. Ik zal dit aantonen door xxx.

In feite vormen dit opstapjes van algemeen naar specifiek. Pas hierbij wel op voor te ruim bemeten algemeenheden en open deuren als ‘ICT speelt een steeds belangrijker rol in de maatschappij.’ Het duurt na zo’n brede openingszin òf te lang voor je bij je specifieke onderwerp bent aanbeland, òf je kan niet anders dan een bonkige sprong maken zonder direct verband.

Het is ook mogelijk om direct een specifieke publicatie, auteur of concept te introduceren. Beschrijvend-betogende teksten lenen zich daar goed voor, maar ook een analyse kan zo beginnen:

In zijn artikel ‘Die Natur des Films’ uit 1927 maakte de Russische theoreticus Boris Kazanskij een onderscheid tussen de positie van de acteur in de film en de positie van de acteur in het theater. Hij bedoelde hiermee dat xxx.

Bij een theoretisch betoog moet je veel elementen al opvoeren in de introductie: namen van de auteur(s), titel en datum van de meest relevante publicatie(s), een kernachtige omschrijving van de theorie c.q. het debat daarover, een eventuele korte toelichting, een kernachtige formulering van jouw standpunt, en een aanduiding van wat er volgt in de rest van de tekst. Soms red je dat niet in één alinea en moeten het er twee worden.

Je kunt beginnen bij de theorie, toewerken naar het gebruik ervan en dan je these presenteren: ‘In zijn in 1947 samen met Max Horkheimer gepubliceerde Dialectiek van de Verlichting, beweerde Theodor Adorno dat xxx. Adorno’s theoretische uitgangspunten worden nog altijd veel gebruikt om xxx. Naar mijn mening is dit xxxx. In dit betoog zal ik xxx.’ Je kunt ook juist bij de onderzoeksvraag beginnen en daarna de vraag opwerpen in hoeverre een bepaalde theorie hierbij van nut kan zijn.

Sommige teksten, zoals middellange analyses van mediumuitingen of case studies, bieden de mogelijkheid om semi-journalistiek te beginnen met een pakkende beschrijving van een typische scene of een anekdotisch incident: ‘Masja (10 jaar) kan wel huilen. Ineens zijn al haar zogeheten meubi’s in haar Habbohotelkamer verdwenen. De spelregels van deze virtuele kinderwereld bepalen dat xxx.’ Zo’n opening kan een lezer lekker binnentrekken in een betoog over mediawijsheid of de juridische status van virtueel bezit, maar draagt wel het gevaar in zich dat de toon in de rest van de tekst te anekdotisch en babbelig blijft. Het is veiliger maar ook saaier om een inleiding op te bouwen volgens een klassiek stramien: openen met de kwestie, vraag of these; uitlichten van specifiek aspect of concept; eventueel het geven van een definitie, bronomschrijving of voorbeeld; expliciteren van wat je precies gaat doen; een aanduiding van wat komen gaat in de rest van je tekst.

In het algemeen is een trechtermodel (breed beginnen en vervolgens toespitsen) minder riskant dan een pyramidemodel (toesgespitst beginnen en dan breder uitwaaieren). Maar het is aan jou om hiermee te oefenen en om te ontdekken wat je het meeste ligt.

Concentreer je op alinea’s

Welgevormde alinea’s zijn het geheim van elke goede tekst. Ze zorgen voor een bladspiegel en leesritme die de lezer (en de schrijver) houvast geven bij het eigen maken van de inhoud en de structuur.

Een goede alinea behandelt één – en niet meer dan één – gedachte. Over wat een afgeronde gedachte is, kan men twisten, maar een alineagedachte is een antwoord op één vraag. Die vraag blijft meestal impliciet in je uiteindelijke tekst (in tegenstelling tot je structuurschema; daar staan de vragen wel expliciet) maar al schrijvend is het goed die telkens voor ogen te hebben. Het alinea-antwoord kan de vorm aannemen van een bewering, een omschrijving, of een argument. In zo’n alinea is in principe één kernzin aan te wijzen, de zogeheten topische zin, die compact de hoofdgedachte van de alinea bevat; de rest is daar een uitwerking van, of een aanloop daar naartoe. Die topische zin kan overal staan: in de eerste of tweede zin, in het midden, of in de laatste zin van de alinea. Alinea’s bestaan altijd uit minimaal twee hoofdzinnen. Wees alert op ultrakorte alinea’s, en zeker op alinea’s van één zin: dat is een losse flodder die je moet schrappen, een staartje van de vorige alinea, of een overgangszin die hoort bij de volgende alinea. Bedenk dus bij elke harde return: begin ik nu aan een nieuw element, of hoort het nog bij het voorgaande?

Reken op zo’n vijf tot zeven alinea’s per A4-pagina. Wees dus ook alert op lange alinea’s, zeker als ze meer dan helft van de pagina beslaan: gaat het daar niet om duidelijk verschillende aspecten of denkstappen? Knip lange alinea’s op, en kijk of de nieuw gevormde alinea’s een overgangszin of signaalwoorden nodig hebben om de samenhang met de voorgaande alinea duidelijk te maken. Denk daarbij aan signaalworden als ‘echter’, ‘in tegenstelling tot’, ‘bijvoorbeeld’, ‘bovendien’, ‘kortom’ et cetera, of aan een systematische ordening met ‘ten eerste’, ‘ten tweede’ et cetera.

In een goede alinea staat geen zin te veel en geen zin te weinig – geen onnodige herhalingen, maar ook geen verzwegen denkstappen. Formuleer zo precies mogelijk en wees streng voor jezelf wanneer je merkt dat je genoegen wilt nemen met een vage omschrijving.

Het kernbetoog van theoretisch-betogende teksten bestaat uit een strakke keten van alinea’s die elk één argument bijdragen om de centrale these te verdedigen. De meeste alinea’s zijn gericht op argumenten vóór de stelling, een aantal zal ook tegenargumenten proberen te ontzenuwen. Het kernbetoog wordt afgesloten met een concluderende alinea, waarin je kort samenvat wat je hebt behandeld maar vooral wat dat nu heeft opgeleverd. Zorg dat je concluderende alinea net iets meer is dan een herhaling of samenvatting – trek het naar een meta-niveau – maar introduceer daar geen totaal nieuwe elementen.

Verplaats je in de lezer

De beste teksten schrijf je wanneer je je voortdurend realiseert dat iemand anders ze moet lezen en snappen. Stel je daarbij een kritische, nogal korzelige lezer voor die voortdurend zeurt: ‘Hoe dat zo? Wie zegt dat? Wat is dat voor auteur dan? Hoe moet ik me dat voorstellen? Wat is het probleem eigenlijk?’ Zo’n kritische lezer op je schouder voorkomt dat je vaagheden opschrijft als: ‘Fenomeen A had te maken met B’, en ‘auteur X is hierbij ook belangrijk’ zonder uit te leggen hoe die relatie precies in elkaar zit. Academisch schrijven is bepaald niet hetzelfde als abstract en moeilijk schrijven, en al helemaal niet hetzelfde als algemeen schrijven. Academische teksten moeten juist heel concreet zijn, met gedetailleerde informatie over personen, kwesties, objecten en theorieën. Oftewel, het ‘wie, wat, waar, wanneer, en waarom’ is niet alleen aan de orde in je inleiding maar in elke alinea en bewering. Door dit soort exacte informatie en details wordt je tekst niet alleen informatiever, maar ook genuanceerder en correcter. Tegelijkertijd kun je natuurlijk niet elke mogelijk WWW-vraag beantwoorden, dan wordt je tekst onleesbaar. Maak je selectie zorgvuldig, geef details die noodzakelijk zijn en die je betoog vooruithelpen, en zorg dat de korzelige lezer geen aanleiding heeft om zeurvragen te stellen.

Hou die korzelige lezer dus permanent op je schouder. Schrijf in elk geval nooit uitsluitend voor je docent. Het is cruciaal dat je tekst op zichzelf kan staan, en in principe ook voor de geïnteresseerde lezer van buiten de cursus te lezen is. Ga er dus ook niet van uit dat de lezer weet wat de vraag is of dat het om een cursusopdracht gaat. Schrijf dus nooit: ‘In deze opdracht zal ik’, of ‘in de PowerPoint van het college’.

Onderscheid feiten en meningen

In een academische tekst zijn feiten en meningen/interpretaties strikt gescheiden c.q onderscheiden. Direct moet duidelijk zijn welke uitspraken feitelijk (‘objectief’, empirisch) zijn, en welke berusten op jouw mening of interpretatie. Maak duidelijk of wat je schrijft gebaseerd is op bronnen en werk van anderen of op eigen onderzoek. Tevens moet het onderscheid tussen interpretaties van jou en die van andere, al dan niet wetenschappelijke, auteurs helder zijn. De verleiding is groot om al in een feitelijke beschrijving van een fenomeen of een theorie oordelende woorden als ‘terecht’, ‘onjuist’ en ‘onzorgvuldig’ (of zelfs de zware aantijging ‘onwaar’ – vermijd die sowieso in academische teksten) in te vlechten, maar dat is riskant. De kans is groot dat je vergeet te beargumenteren op grond waarvan jij iets terecht of onterecht noemt, en bovendien blijft vaak impliciet of dat oordeel gebaseerd is op andere bronnen of op je eigen interpretatie.

Vooral in het geval van een analyse van een mediumobject of een beschrijving van een case is het zaak om feitelijke beschrijvingen c.q. observaties goed apart te houden van je interpretaties en waardeoordelen. Soms kan dat door ze te verdelen over aparte alinea’s, soms door ze in verschillende zinnen onder te brengen, of ze over hoofdzin en bijzin te verdelen. Vermijd algemene grove waardeoordelen (‘goed filmpje’, ‘mooi vormgegeven website’), en voorzie je interpretaties altijd van toelichting.

Ook middels woordkeus is het onderscheid tussen feit en interpretatie te markeren. Interpretaties zijn aan te kondigen met expliciete signaalwoorden en -zinnen: ‘Dit is te interpreteren als’, ‘Dit zou kunnen duiden op’, ‘Dit kan betekenen’. Ook modale bepalingen als ‘vermoedelijk’, ‘waarschijnlijk’, en ‘wellicht’ zijn handig om interpretaties te presenteren. Zulke modale bepalingen maken je tekst niet zwakker maar sterker, juist omdat je daarmee duidelijk aangeeft dat het om een interpretatie gaat. Deze retoriek heeft wel reliëf nodig, anders komt je tekst in zijn geheel onzeker over. Zorg er dus voor dat je op andere punten gebruik maakt van sterke bepalingen: ‘Natuurlijk’, ‘Uiteraard’, ‘Het lijdt geen twijfel dat xxx’. Reliëf is ook aan te brengen door de voor de hand liggende interpretaties expliciet te onderscheiden van de meer verrassende interpretaties: ‘Het ligt voor de hand dat xxx’, ‘Het is opvallend dat xxx’, ‘Anders dan verwacht’.

Eventueel kun je interpretaties af en toe voorzien van een expliciete verwijzing naar jezelf als interpreet (‘volgens mij’, ‘naar mijn indruk’, ‘mijns inziens’). Maar wees daar zuinig mee; het risico is dat je interpretatie de status krijgt van ‘slechts mijn persoonlijke mening’. Dat geldt nog sterker voor ‘ik geloof’ en ‘ik vind’ – vermijd die formuleringen dan ook. Schrap die frases en je zult zien dat je inhoudelijke argumenten het overtuigingswerk alleen aankunnen (of je merkt prompt dat de argumentatie ontbreekt). In een academische tekst kun je gerust gebruik maken van het woord ‘ik’, maar de combinaties ‘ik geloof’ en ‘ik vind’ zijn óf overbodig óf dragen het gevaar in zich dat je het daarbij laat en de argumentatie vergeet. Overvloedig gebruik van ‘ik’ maakt bovendien al gauw een pedante of onvolwassen indruk. Gebruik in elk geval nooit ‘ik’ in de eerste zin van een tekst.

In een theoretisch betoog bestaan de feitelijke beschrijvingen uit een zo exact mogelijke weergave van een bepaalde theorie. Ook hier mogen je beschrijving en je oordeel niet door elkaar lopen. Wil je een theorie bekritiseren, dan zul je, om overtuigend te zijn, eerst moeten laten zien dat je exact weet wat die behelst. Onderbouw al je beweringen (zowel beschrijvende als interpretatieve) met verwijzingen naar de theorie, liefst met citaten uit de oorspronkelijke bron, dus primaire teksten. Het is nogal pedant om pakweg Heidegger of Habermas naar de prullenbak te verwijzen zonder blijk van kennisname van hun werk. Juist omdat het praktisch onontkoombaar is dat je weergave van de theorie al op voorhand ingekleurd zal zijn door je kritische oordeel, is het zaak zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke bron te blijven, en niet middels suggestieve parafrases je gelijk te halen. Zoek in je kritiek altijd naar de nuance. Hoe genuanceerder je bent in je kritiek, hoe overtuigender die overkomt: ‘Adorno leidt hieruit af dat xxx. Op het eerste gezicht lijkt dit xxx. Toch is deze redenering naar mijn oordeel niet overtuigend, aangezien xxx. Zeker in onze eigen tijd zal xxx.’

Auteurs als actoren of als bronnen

Een alinea waarin je bronnen opvoert kan op twee manier worden geformuleerd: auteursgecentreerd of onderwerpsgecenteerd. Vergelijk:

  • Auteursgecentreerd: ‘Howard Rheingold (1993) definieert virtuele gemeenschappen als xxx. Wellman (2000) voegt daar nog aan toe dat xxx. Opvallend is dat beide auteurs xxx.’
  • Onderwerpsgecenteerd: ‘Virtuele gemeenschappen kenmerken zich door xxx (Rheingold 1993, Wellman 2000). De vraag is of in Web 2.0-gemeenschappen ’

In auteursgerichte zinnen worden dus de auteurs zelf opgevoerd als handelende personen die iets doen: onderzoeken, beweren, verklaren et cetera. Dat is zinvol als je onderwerp primair bestaat uit een betoog over die auteurs en hun werk. In onderwerpsgerichte zinnen en alinea’s spelen de auteurs een secundaire rol, en worden zij slechts genoemd als bron (tussen haakjes, of in een noot) van beweringen die je kennelijk als vaststaand aanneemt. Hoe je auteurs c.q. bronnen opvoert, hangt dus af van wat je beoogt met een alinea of een tekst.

Citeren of parafraseren?

In zijn algemeenheid is niet te zeggen of je beter kunt parafraseren of juist citeren. Sommige studenten worden door hun docenten gemaand om ‘dichter bij de brontekst’ te blijven, omdat hun parafrases getuigen van onzorgvuldig lezen, en ze aan de haal gaan met slecht begrepen redeneringen. Anderen timmeren hun tekst zo dicht met citaten dat hun eigen gedachtegang onzichtbaar wordt. Probeer een goed evenwicht te vinden, en maak daarin weloverwogen keuzes.

Bij parafraseren gaat het erom de gedachtegangen van een auteur zo adequaat mogelijk weer te geven in je eigen woorden. Blijf echter dicht in de buurt van de bron; maak gebruik van de terminologie van de auteur, niet alleen de theoretische begrippen maar ook de werkwoorden die daar relaties tussen aanbrengen. Letterlijk overschrijven (of vertalen) van zinnen of zinsdelen mag alleen als je ze tussen aanhalingstekens zet en de bron (inclusief paginaverwijzing) vermeldt. Oftewel, als je citeert. Om elke verwarring tussen plagiaat en citaat te voorkomen is er een simpele vuistregel: plaats aanhalingstekens zo gauw je vier of meer achtereenvolgende woorden overneemt uit een bron. Worden je zinnen daardoor te stroef en onprettig om te lezen, verbouw ze dan tot je eigen zinnen, met een eigen grammatica.

Het gebruik van letterlijke citaten verlevendigt je tekst en onderbouwt je beweringen met terugvindbare bronnen. Althans, als je het goed doet. Laat een citaat nooit zomaar voor zichzelf spreken; leid citaten altijd in en uit met eigen formuleringen. Zorg er kortom voor dat ze zijn ingebed in je eigen redenering.

Citaten kunnen kort of lang zijn, afhankelijk van het type tekst. Gebruik in elk geval geen lange citaten in korte teksten (vuistregel: niet meer dan een kwart van de tekst), en wees er verder ook zuinig mee. Citaten langer dan drie regels kun je het beste vrijhouden in een extra inspringend blok, geplaatst tussen witregels. In dat geval hoeven er geen aanhalingstekens omheen te staan.

Kies citaten zorgvuldig uit, dat wil zeggen: zorg dat ze iets specifieks zeggen, en wel iets waar jij ook verder op doorgaat in je eigen tekst, zoals definities, treffende uitspraken of specifieke redeneringen. Wees altijd alert op de context in de oorspronkelijke bron, want voor je het weet schuif je een auteur iets in de schoenen, terugvindbaar en wel, terwijl de auteur dat nu juist bekritiseerde.

Vaak is het elegant om quotes in te vlechten in je eigen zinnen. Knip geciteerde zinnen op als de grammatica van het citaat niet spoort met je eigen zinnen, maar blijf altijd secuur en letterlijk wat betreft overname van hoofdletters, cursiveringen, en zelfs tik- en andere fouten.

Met de toevoeging tussen rechte of ronde haakjes (sic) of [sic] – Latijn voor: ‘zo’ – in een citaat geef je aan dat de fout authentiek zo voorkomt in de oorspronkelijke bron. Met (…) geef je aan dat je een gedeelte hebt weggelaten in het citaat. Andere toevoegingen tussen haakjes in een citaat krijgen altijd je initialen erbij, om duidelijk te maken wat van de auteur is en wat van jou, bijvoorbeeld in geval van een cursivering: (cursivering van mij – MvdB).

Zorg er hoe dan ook voor dat duidelijk blijft wat van jou is, waar een citaat begint (aanhalingstekens openen) en waar het eindigt (aanhalingstekens sluiten). Let daarbij ook op de juiste exacte plaatsing van punten, komma’s, haakjes, en aanhalingstekens, zoals:

Dit zou kunnen betekenen dat ‘xxx xxx xxx xxx xxx,’ zoals Austin (1959, 158) beweert. Hij zegt daar ook: ‘Yyy yy yyy yyy (…) yyy yyy yyyy.’ Derrida heeft daar echter het volgende tegenin gebracht: ‘Zzz zzz zzz zzz. Zzzz zzz zzz’ (Derrida 1972, 16).

In dit voorbeeld wordt op drie verschillende manieren geciteerd, met implicaties voor de plaatsing van komma’s en punten:

  • een fragment (xxx) opgenomen in een eigen zin die nog doorloopt na het citaat – hier moet je de komma invoegen voor aanhalingsteken sluiten;
  • een compleet citaat (yyy) van een zin (zij het onderbroken met weglatingspuntjes tussen haakjes) die niet doorloopt in eigen tekst of eindigt met een intext referentie – hier moet je de punt invoegen voor aanhalingsteken sluiten;
  • en een citaat (zzz), dat eindigt in een intext referentie – hier komt de punt pas na het sluitreferentiehaakje, ook al eindigt het citaat zelf in een punt; het sluitingsaanhalingsteken staat uiteraard voor het referentiehaakje.

Gebruik dubbele aanhalingstekens bij een citaat in een citaat:

Derrida claimt daarover: ‘Zzz zzz zzz “aaa aaa” zzz zzz’ (Derrida 1972, 18).

In principe heb je de werken waaruit je citeert en waarvan je de bron opvoert ook gelezen, maar het kan voorkomen dat je een citaat van een auteur opvoert dat hebt gevonden in een ander werk, zonder dat je de publicatie van de betreffende auteur in handen hebt gehad. Geef dit duidelijk aan door de toevoeging ‘geciteerd in’:

Habermas claimt daarover: ‘Xxx xxx xxxx’ (Habermas 1962, 18 geciteerd in Poster 1996, 168).


Lees meer over:

Of ga naar: