Logo Utrecht University

Media en Cultuur – Academische Vaardigheden en Onderzoek

2. Leesstrategieën

Studerend lezen bestaat niet uit zomaar plompverloren beginnen bij de eerste zin en doorgaan tot de laatste. Verschillende teksten en verschillende genres vergen verschillende leeswijzen, meer of minder intensief. Kernteksten – voor een tentamen, een opdracht of voor je eigen onderzoek – vereisen de meest omvattende en diepgaande leesstrategie. Die bestaat uit drie leeswijzen of -fasen, die hieronder worden uitgelegd: verkennend lezen, begrijpend lezen, en kritisch lezen. Middels verkennend lezen probeer je een eerste indruk te krijgen van het idee en de structuur van de tekst. Zo heb je in de tweede fase, die van het begrijpend lezen, al een redelijk beeld van wat je kunt verwachten. In de derde fase gaat het om kritisch lezen, dus om het beoordelen van de tekst.

Verkennend lezen

Bij het verkennend lezen van een boek of artikel lees je op een systematische manier specifieke delen van de tekst. Op basis hiervan maak je een voorstelling van het specifieke onderwerp (inclusief afbakening naar tijd en plaats), de vraagstelling en de hoofdgedachte. Verkennend lezen bestaat uit de volgende elementen.

  1. Lees de titel, de inleiding en de conclusie.

De titel bevat al een belangrijke aanwijzing voor de hoofdgedachte, zeker in de doorgaans specificerende ondertitel, zoals bijvoorbeeld ‘Media and youth culture in 1960s Britain’. Deinleiding – al dan niet als zodanig aangegeven met een paragraafkop – bevat doorgaans: een pakkende opening, de afbakening van het onderwerp, een reflectie op eerder verricht onderzoek of theorievorming rond dit onderwerp, en – al dan niet expliciet – de vragen die deze tekst zal beantwoorden. Meestal zijn er daarnaast ook aanwijzingen te vinden over de relevantie van de hoofdgedachte. Het komt geregeld voor dat de vraagstelling niet expliciet is geformuleerd, maar die is dan in principe af te leiden uit de inleiding. Dat geldt ook voor beschrijvende teksten, die, anders dan expliciet betogende teksten, geen vraagstelling lijken te hebben, maar die natuurlijk wel altijd iets beogen met de beschrijving. In de conclusie, aan het eind van het boek of artikel, vind je vaak opnieuw een bondige omschrijving van het onderwerp en de vraag, maar vooral een terugblik op de ontwikkelde hoofdgedachte.

Onderstreep of markeer zinnen en passages waarin het onderwerp, de vraagstelling of de hoofdgedachte van de tekst te vinden is.

  1. Lees vervolgens de paragraaftitels en eventuele abstracts, en bij een boek ook de flaptekst en de inhoudsopgave.

De paragraaftitels en de inhoudsopgave geven een indruk van de deelonderwerpen en opbouw van de tekst. De flaptekst biedt een wervende beknopte samenvatting van het onderwerp en de hoofdthese van de studie. Soms is een aparte samenvatting opgenomen in het boek; sommige artikelen beginnen of eindigen met een abstract.

  1. Formuleer het onderwerp, de vraagstelling en de hoofdgedachte.

Probeer op basis van het gelezene in drie zinnen te formuleren wat volgens jou het onderwerp, de vraagstelling en de hoofdgedachte van de tekst is.

  1. Bepaal genre en het beoogde publiek.

Is de tekst primair of secundair, essayistisch of wetenschappelijk, beschrijvend of betogend? In de praktijk zijn teksten zelden voor honderd procent beschrijvend of betogend, maar probeer de tekst te typeren. Gaat het om een onderzoeksverslag, een beschrijving van een fenomeen, een programmatisch overzicht, een betoog of een andere wetenschappelijke tekstsoort? Wat is het kennelijke doel van de tekst; informeren, overtuigen, instrueren, bekritiseren? Vraag je ook af op welk publiek de tekst mikt. Een algemeen publiek, de geïnteresseerde leek, vakgenoten, wetenschappelijk specialisten?

  1. Scan het middendeel van de tekst en lees hier en daar een alinea.

Probeer daarmee een beeld te vormen van de tekstopbouw, de deelonderwerpen en de argumentatiestructuur. Wat is zo op het oog het verband tussen de verschillende hoofdstukken en paragrafen? Hoe verhouden de deelonderwerpen zich tot de hoofdgedachte ? Is er op het eerste gezicht al een argumentatiestructuur te ontdekken?

  1. Activeer je voorkennis, noteer vragen en motiveer jezelf.

Bedenk ten slotte wat je tot nu toe van het onderwerp afweet. Wat verwacht je dat deze tekst daaraan zal toevoegen? Welke vragen heeft het gelezene tot nu toe bij je opgeroepen? Waar ben je benieuwd naar? Noteer dit kort.

Begrijpend lezen

Wanneer je een tekst goed wilt begrijpen en bestuderen, dan kun je niet volstaan met een verkennende lezing. Je zult de tekst dan nauwkeurig, zin voor zin, onder de loep moeten nemen. Bij begrijpend lezen gaat het erom dat je elk onderdeel van de tekst, elke stap, volledig begrijpt en in je eigen woorden kunt reproduceren. Het eerdergenoemde verkennend lezen is zeker in het begin van je studie noodzakelijk om te zorgen dat je tijdens het begrijpend lezen snel tot de kern van de tekst doordringt. Overigens zal het verkennend lezen je steeds sneller en beter afgaan, hoe verder je komt in je studie en hoe vaker je het doet.

In de fase van het begrijpend lezen lees je de tekst van zin tot zin. Let daarbij op de volgende punten:

  1. Stel per paragraaf en per alinea de hoofdgedachte vast.

Een goede tekst is gestructureerd in paragrafen die elk een subonderwerp van het hoofdonderwerp behandelen. Een goede paragraaf is op zijn beurt weer opgebouwd uit alinea’s die elk een subgedachte bevatten. Gezamenlijk vormen zij de overkoepelende hoofdgedachte en argumentatieopbouw van de tekst. Om een tekst grondig te lezen hoef je niets meer, maar ook niets minder, te doen dan per paragraaf en per alinea te proberen de essentie ervan voor jezelf samen te vatten, en te begrijpen wat de logische relatie is met het voorgaande en het volgende.

Voor de essentie van paragrafen moet je extra alert zijn op de openings- en slotalinea’s; vaak wordt daar het meest expliciet de kern van de paragraaf beschreven. Voor de essentie van alinea’s moet je vooral zoeken naar de kernzin, de zogeheten topische zin van de alinea. Onderstreep of markeer die topische zinnen.

De verbanden tussen afzonderlijke alinea’s en zinnen zijn te vinden in zinnen met typische siganaalwoorden als:

  • ook, tevens, bovendien, daarnaast, niet alleen, behalve, ten tweede, verder (nevenschikking, opsomming)
  • maar, echter, niettemin, toch, desondanks, anderzijds, anders dan, in tegenstelling tot (tegenstelling)
  • bijvoorbeeld, zo, zoals, onder andere (voorbeeld, toelichting)
  • aanvankelijk, eerst, voordat, nadat, daarna, vervolgens, toen (chronologie)
  • doordat, omdat, want, omdat, aangezien, immers, daardoor, bijgevolg, daarom, dus, opdat, dan ook (oorzaak/gevolg, reden)
  • kortom, met andere woorden, anders gezegd, dat wil zeggen (samenvatting).daartoe, teneinde, om te, door te, door middel van, middels, daarmee (middel);

Overigens is niet elke alinea en elke paragraaf ‘voorbeeldig’ van structuur. Niet alle alinea’s vormen een heldere eenheid rond een topische zin, en ook paragrafen staan niet altijd garant voor scherp afgebakende onderdelen. Soms wijst dat op de gebrekkige kwaliteit van de tekst, maar dat hoeft niet per se het geval te zijn.

Stel in deze leesfase je eigen oordeel nog even uit. Probeer je primair het perspectief van de auteur eigen te maken. Wat wil de auteur in deze alinea beweren? Hoe hangt dat samen met de hoofdgedachte? Aan een oordeel of je de argumentatie overtuigend vindt, kom je pas toe in de fase van het kritisch lezen. Je oordeel zal gegronder zijn wanneer je eerst precies hebt vastgesteld wat de auteur nu eigenlijk wil zeggen.

Markeer kernwoorden, kernzinnen en eventueel kernpassages in een tekst, maar markeer niet meer dan zo’n tien procent van de tekst. Maak ook aantekeningen over de structuur, de onderwerpen en de argumenten.

  1. Zoek onbekende kernwoorden op en puzzel op moeilijk begrijpbare kernzinnen.

Het is niet per se nodig is om alle woorden die je niet kent in een woordenboek op te zoeken, maar wel die onbekende woorden die betrekking hebben op de kern van de tekst, en waarvan je de betekenis niet uit de context kunt afleiden. Complexe of abstracte zinnen die je niet direct begrijpt, maar waarvan je vermoedt dat ze de kern behandelen, zul je ook geduldig moeten herlezen en uitknobbelen. Streep ze aan als je er niet uitkomt, en vraag eventueel aan medestudenten of je docent wat de auteur daar zou kunnen bedoelen.

  1. Activeer je voorkennis, en zoek eventueel aanvullende informatie.

Je begrip van een tekst, en de snelheid waarmee je die bereikt, is sterk afhankelijk van je voorkennis van het onderwerp, de context en eventueel het wetenschappelijke debat dat erover gaande is. Probeer die voorkennis te activeren, dat maakt het lezen interessanter en zinvoller.

In het begin van je studie moet je er soms in berusten dat je een tekst niet in al zijn details kunt begrijpen, omdat je de noodzakelijke achtergrondinformatie nog mist. Soms moet je echter vaststellen dat je belangrijke achtergrondkennis mist. Dat kan gaan om kennis uit eerdere cursussen, maar ook algemene kennis. Raadpleeg dan even een encyclopedie, een handboek, een oude reader of een internetbron om de gaten in je kennis te dichten, of om weggezakte kennis weer op te frissen.

  1. Formuleer een antwoord op je eigen vragen, en grijp terug op je notities.

Ga na of de vragen die je tijdens het verkennend lezen had geformuleerd nu te beantwoorden zijn. Herlees je notities, herlees de passages die je hebt gemarkeerd en vergelijk deze met de drie zinnen die je na het verkennende lezen hebt geformuleerd. Pas deze zinnen zo nodig aan en probeer de kern van de tekst in maximaal één alinea samen te vatten.

Op basis van deze leesstrategie kun je vervolgens een goed gestructureerde en informatieve samenvatting schrijven.

Kritisch lezen

Bij het kritisch lezen staat de oordeelsvorming centraal, en niet zozeer het kunnen reproduceren van de inhoud en de argumentatie. Het gaat er nu om of de tekst volgens jou een al dan niet overtuigende en belangrijke bijdrage vormt aan een wetenschappelijk of maatschappelijk debat. Om zo’n oordeel te kunnen geven moet je beslagen ten ijs komen. Een mening is goedkoop; argumenten ter onderbouwing zijn duur.

In principe zijn er twee typen tekstkritische argumenten: interne (tekstimmanente) en externe (buitentekstueel). Bij het eerste type gaat het om het blootleggen van inconsistenties en onvolkomenheden in de tekst zelf. Die kunnen bestaan uit onlogische redeneringen, onterechte verbanden, onterechte gelijkstellingen of tegenstellingen. Het kan ook gaan om stellige beweringen zonder bewijsvoering of concrete voorbeelden, of citaten die uit hun verband zijn gebruikt. Het kan zelfs gaan om regelrechte fouten, bijvoorbeeld in de gehanteerde chronologie, maar dat raakt al aan het tweede type argument.

Voor het tweede type argumenten, de externe, moet je als lezer beschikken over extra kennis. Het gaat hier om het oordeel of een tekst een juiste voorstelling van zaken geeft, en daartoe heb je kennis van buiten de tekst zelf nodig. Kritisch lezen doet dus een beroep op externe kennis, zowel kennis die je al tot je beschikking hebt, en die je dus moet activeren, alsmede kennis die je ontbeert – en die je dus ergens vandaan moet zien te halen. Het zal zeker voorkomen dat je je bij het lezen afvraagt: ‘Is dat nou zo? Klopt dit wel?’ In dat geval is er maar één oplossing: je kennis vergroten door andere bronnen te raadplegen.

Overigens is het goed om je te realiseren dat niet elk extern argument een kwestie is van een al dan niet juiste weergave van feiten. Argumenten zijn te onderscheiden in feitelijke argumenten, die gebaseerd zijn op feiten of empirische gegevens, en normatieve argumenten, die gebaseerd zijn op een idee van wat goed of slecht is. Een negatief dan wel positief oordeel over bijvoorbeeld een artikel over filesharing op het internet kan onderbouwd worden met feitelijke argumenten over de relatie tussen CD-verkoop en mp3- downloads, maar ook met normatieve argumenten over wanneer het juist is te spreken over diefstal.

De volgende vragen kunnen helpen bij de bepaling van je oordeel over een tekst, en bij de bepaling van welke extra kennis je zou moeten verzamelen:

  1. Vragen naar de positionering van de tekst
  • Wie is de auteur? Geldt hij of zij als een (inter)nationale expert? Heeft de auteur al eerder op dit terrein gepubliceerd?
  • Bij welke uitgeverij, in welk tijdschrift, of in welke bundel is de tekst verschenen? Is dit een prestigieuze publicatie? Voor welk publiek is de tekst bedoeld? Wat zegt dat over de betrouwbaarheid?
  • Uit welk jaar is de tekst? Wat zegt dat over de historische situering en hoe beïnvloedt dit het perspectief? Hoe is dit te vertalen naar de huidige situatie/debat?
  • Behandelt de tekst een feitelijk of een controversieel onderwerp? Waaruit bestaat de eventuele controverse?
  • Zijn er recensies over deze tekst verschenen? Wat is de teneur hiervan?
  1. Vragen naar overtuigingskracht
  • Is er een deugdelijk notenapparaat en bibliografie aanwezig? Op welke bronnen baseert de auteur zich, op recent onderzoek, op meerdere bronnen of maar één? Watzeggen de bronnen over de positie van de auteur in het wetenschappelijke veld?
  • Is, in geval van een onderzoeksrapportage, de gehanteerde methode helder uiteengezet? Is de dataselectie adequaat voor de vraagstelling? Zijn de interpretaties van de gegevens aannemelijk, of zijn er andere denkbaar?
  • Laat de auteur alle mogelijke visies aan bod komen? Gaat de auteur in discussie metanderen die over dit onderwerp hebben geschreven? Hoe positioneert hij of zij zich?
  • Wat is het standpunt of de stelling van de schrijver? Wordt dit expliciet geformuleerd? Wordt het voldoende beargumenteerd? Zijn er verborgen agenda’s of belangen?
  • Zijn de feitelijke argumenten inderdaad gebaseerd op feiten, of op z’n minst aannemelijk? Zijn de normatieve argumenten voldoende onderbouwd? Worden er voldoende tegenargumenten besproken en worden deze voldoende weerlegd? Zijn er onbehandelde argumenten of tegenargumenten op te voeren?
  • Volgt de slotconclusie voldoende uit de argumentatie en komt deze overeen met de beloftes in de inleiding?
  1. Vragen naar voorkennis
  • Wat voegt de tekst toe aan andere publicaties die je over dit onderwerp hebt gelezen?
  • Geeft de auteur een juiste voorstelling van deze publicaties en van de meerwaarde van de eigen tekst?

Aan de hand hiervan kun je nu komen tot een eigen kritisch oordeel. Kritisch betekent overigens niet per definitie dat je negatief en afwijzend bent. Het gaat hier om een leeshouding waarin je nooit zomaar op voorhand of zonder context iets aanneemt. Schrijf je oordeel uit, zowel ten behoeve van een opdracht, eindpaper, tentamen of werkcollege, maar ook gewoon om je kennis en oordeel vast te houden. Positioneer de tekst in het kader van het relevante debat, belicht sterke en zwakken kanten van de tekst, en onderbouw je oordeel met argumenten – interne en externe, feitelijke en normatieve.


Lees meer over:

Of ga naar: