Logo Utrecht University

Media en Cultuur – Academische Vaardigheden en Onderzoek

1. Bronverwijzingen

Het klinkt gemakkelijk – netjes citeren, bronnen vermelden, en een alfabetische literatuurlijst maken – maar in de praktijk gaat het nogal eens mis, meestal vanwege slordigheid of onbekendheid met de systematiek van een specifiek academisch format. Er zijn namelijk tientallen verschillende systemen, en ze worden vaak door elkaar gehaald. Dat zit ‘m vaak in heel kleine dingen – zo kun je niet bij de ene bron voornamen van auteurs opnemen en bij de andere alleen voorletters, en ook jaartallen van uitgave kunnen niet bij de ene voor de titel en bij de andere achter de plaats en uitgeverij staan. Deze verschillende academische stijlgidsen zijn voortgekomen uit verschillende onderzoekstradities en disciplines (medisch, technisch, literatuurwetenschappleijk, sociaal- wetenschappelijk etc), en daarnaast zijn er ook nog honderden wetenschappelijke tijdschriften en uitgeverijen die hun eigen formats hanteren.

Het is dus zaak eerst een keuze te maken voor een specifiek format, en dit vervolgens precies en consistent toe te passen, tot in de puntjes, komma’s en spaties. Knip en plak dus nooit zomaar brongegevens uit een gevonden literatuurlijst, of uit de inhoudsopgave van een reader – geheid dat je referenties een zootje worden. Het systematiseren van referenties is handwerk dat nu eenmaal bij academische arbeid hoort. Gelukkig bestaan er handige softwarepakketten die je een boel werk uit handen kunnen nemen. Endnote is een commercieel pakket, te integreren in Word, maar er zijn ook gratis programma’s. Zotero bijvoorbeeld, een Firefox-plug-in, kan standaard in 15 verschillende formats genereren.

Maar ook als je werkt met dit soort software is het belangrijk om op de hoogte te zijn van de basisprincipes van academische formats, want niet alleen de gegenereerde bronnenlijsten verschillen onderling maar ook de bijbehorende wijze van bronvermelding in de lopende tekst.

Bronverwijzingen bestaan in principe uit twee elementen:

  • een bronvermelding in de lopende tekst (afhankelijk van het gekozen format kan deze bestaan uit een voetnoot of uit een zogeheten intext referentie, meestal de auteursnaam plus jaartal tussen haakjes)
  • en een alfabetische bronnenlijst (een bibliografie met alle relevante bronnen, of een referentielijst, beperkt tot de aangehaalde bronnen).

Binnen het vakgebied van de media- en cultuurwetenschappen wordt het meest gebruik gemaakt van drie formats: de MLA-stijl, van de Modern Language Association, de Chicago- stijl (met verschillende varianten) van de Universiteit van Chicago, en de APA-stijl, van de American Psychological Association. In het eerste jaar van de BA Media en cultuur wordt er in alle cursussen gebruik gemaakt van de Chicago-stijl. Bij andere opleidingen wordt er echter soms met andere stijlen gewerkt. Soms laten docenten de keuze voor een stijl aan jou. Vraag je docent daarom altijd naar welke stijl de voorkeur uitgaat, of maak zelf een keuze.

Je kunt daarbij op een paar dingen letten. Zo bevat de intext referentie van het MLA- systeem geen jaartal, die van het Chicago- en APA-format wel. Dat maakt het MLA-format minder geschikt voor zowel historisch onderzoek als nieuwe-mediaonderzoek (in dat vakgebied maakt het lichtjaren uit of een bron uit 1995 of uit 2006 komt, en het is handig om dat direct te zien in de tekst). Een systeem dat werkt met voetnoten voor bronverwijzingen in plaats van met haakjes, zoals mogelijk in MLA of Chicago, houdt je tekst weliswaar mooi kaal, maar is bewerkelijk aangezien de wijze van noteren verschilt per geval: de eerste vermelding van een werk bevat de volledige bibliografische gegevens, elke volgende verwijzing naar dezelfde titel bestaat slechts uit de auteursnaam en eventueel paginanummer, en een verwijzing naar dezelfde titel in een opeenvolgende noot krijgt ‘Ibidem’ in plaats van de auteursnaam. Dat betekent nogal eens dat je, na invoeging van nieuwe noten of een verandering van de tekstvolgorde, je de notatiewijze van je literatuurnoten moet aanpassen.

De verschillende academische stijlgidsen bestaan, naast opmaak- en interpunctievoorschriften voor bronverwijzingen, tevens uit ook vele voorschriften over de algemene opmaak en lay-out van academische papers. We volstaan hieronder met een paar algemene regels voor notaties in de lopende tekst die in principe voor elk format gelden; zie paragraaf 3 van dit hoofdstuk voor een overzicht per format (MLA, Chicago en APA).

Notaties in lopende tekst

Titels van bronnen in de lopende tekst

  • Titels van boeken, films, tv-programma’s, toneelstukken, tentoonstellingen, schilderijen en muziekproducties – kortom, van zelfstandige producten – gaan in principe cursief, het eerste woord van de titel krijgt een beginkapitaal: Filosofie in cyberspace, De fanfare, Gooische vrouwen, Op hoop van zegen. Plaats ook een beginkapitaal bij een ondertitel, na een dubbele punt: Filosofie in cyberspace: Reflecties op de informatie- en communicatietechnologie. Binnen filmwetenschappen worden titels van films overigens vaak in klein kapitaal geschreven.
  • Engelse titels krijgen in de lopende tekst een beginkapitaal bij elk woord (behalve op lidwoorden en voorzetsels): Theories of Communication Networks, Reassembling the Social. (NB: de referentielijst kan anders gaan, bij het APA- en Chicago-author-date- format komen er geen tussenkapitalen in de referentielijst, wel in de lopende tekst.)
  • Titels van artikelen, hoofdstukken, gedichten, songs (dus onderdelen van zelfstandige producten) gaan in de lopende tekst niet cursief, maar wel tussen aanhalingstekens: ‘As We May Think’, ‘The Computer as a Communication Device’.
  • Titels van tijdschriften en kranten gaan óf allemaal cursief, óf allemaal romein (=zonder extra opmaak) – als je maar consistent bent. Titels van periodieken hebben in principe een beginkapitaal op het eerste woord en tussenkapitalen: Tijdschrift voor Vrouwenstudies, New Media and Society, al hanteren sommige periodieken een afwijkende notatie: de Volkskrant, De Telegraaf, Het Parool.
  • Bij verwijzingen naar een artikel uit een bundel noem je in je lopende tekst de auteur van het artikel en niet de redacteur van de bundel (die staat natuurlijk wel genoemd in de volledige referentie in je bibliografie).
  • Verwijzingen naar een specifiek hoofdstuk uit een monografie doe je wel in de lopende tekst, maar in de bibliografie staat het hele werk.

Voetnootnummers en in-text verwijzingen

  • Realiseer je dat een eenmaal gemaakte keuze voor óf voetnoot- óf in-textverwijzingen impliceert dat je die systematiek consequent volhoudt door je hele tekst. Je kunt dus niet zowel literatuurnoten als auteurnamen tussen haakjes gebruiken in je werk.
  • Een keuze voor een voetnootsysteem dan wel in-text referenties impliceert ook een specifiek format, met consequenties voor de notatiewijze in de bibliografie of referentielijst. In het APA-format werk je nooit met literatuurnoten (wel met andere, inhoudelijke noten natuurlijk); MLA en Chicago kennen zowel een voetnoot- als een author-date-variant.
  • Plaats voetnootnummers aan het einde van de alinea (als de verwijzing de hele redenering betreft) of aan het einde van een zin (als de verwijzing specifiek is voor die zin), na de punt, of na het aanhalingsteken-sluiten als er een citaat aan vooraf gaat. Zet geen spatie voor het nootcijfer. Alleen indien de noot specifiek verwijst naar een bepaalde term, kun je deze plaatsen direct na het betreffende woord, zonder spatie, na een eventueel aanwezig leesteken.
  • Plaats in-text referenties tussen haakjes aan het einde van de alinea (als de verwijzing de hele redenering betreft) of aan het einde van een zin (als de verwijzing specifiek is voor die zin), voor de punt, ook als deze volgt na een citaat tussen aanhalingstekens. Plaats een spatie voor het haakje-openen, maar zet de punt direct achter het haakje- sluiten. Alleen als de verwijzing specifiek refereert aan een bepaalde term of aan een deel van de zin, kun je deze plaatsen na de term of het zinsdeel, voor een eventueel leesteken.
  • Eén literatuurnoot kan meer bronverwijzingen bevatten; één in-text referentie tussen haakjes ook, plaats dan onderscheidende leestekens tussen de verschillende bronnen: (Latour 1991, Manovich 2001) of (Latour, 1991; Manovich 2001).
  • Let op: ook de in-text referenties verschillen per format. Het Chicago-format (author-date variant) is de meest kale: bronverwijzingen in de tekst bestaan slechts uit auteursnaam en jaartal, zonder komma: (Latour 2005), of met paginanummer (Latour 2005, 61). Ander werk van dezelfde auteur uit hetzelfde jaar krijgt er een letter bij (Latour 2005a), werk uit een ander jaar is herkenbaar aan het jaartal: (Latour 1991).
  • MLA werkt met het author-page format, kaal (Latour), of met paginanummer (Latour 61). Ander werk krijgt in de referentie een verkorte titel mee: (Latour, ‘Matters of Concern’), (Latour, ‘Never Been Modern’).
  • APA lijkt nog het meest op Chicago, zij het met komma’s: (Latour, 2005), en ‘p.’ om de pagina aan te geven: (Latour, 2005, p. 61).

Literatuurlijsten

Bibliografie of referentielijst

  • Een referentielijst bevat alle in de tekst aangehaalde en genoemde bronnen; een bibliografie bevat daarnaast ook bronnen die indirect zijn gebruikt voor de totstandkoming van de tekst. Hoe dan ook wordt ervan uitgegaan dat je alle bronnen hebt geraadpleegd en weet wat erin wordt beweerd.
  • Maak geen onderscheid naar categorieën van bronnen, met aparte lijsten voor literatuur, online bronnen, films et ceter Maak één lijst, op alfabetische volgorde vande auteurs. Bronnen zonder auteur alfabetisch rangschikken naar titel.
  • Geen tertiaire bronnen zoals Wikipedia-lemma opnemen in je literatuurlijst.
  • Bronnen zonder plaatsaanduiding of zonder jaartal krijgen de notatie z.p. of p. (zonder plaats, no place) dan wel z.j. (zonder jaar) of n.d. (no date).
  • In de verschillende formats gaat het echt om kommaneukerige verschillen: let op aanhalingstekens, punten, spaties, komma’s, haakjes – tot en met de al dan niet cursivering van jaargangnummer van een tijdschrift (bij APA).Geen tertiaire bronnen zoals Wikipedia-lemma opnemen in je literatuurlijst.
  • In sommige handleidingen voor de MLA-stijl wordt niet gewerkt met cursivering maar met onderstreping. Deze conventie, voortkomend uit het tijdperk van de typemachines, kun je negeren; maak cursief wat volgens die stijlgidsen onderstreept zou moeten worden. In het digitale tijdperk is een onderstreping een nieuw type conventie: een klikbare hyperlink.
  • Vaak hebben de bibliografie en de referentielijst een andere notatiewijze, zelfs binnen hetzelfde format. Het MLA-format maakt geen onderscheid tussen bibliografie en referentielijst, maar in het Chicago-format zijn er verschillen tussen de noten-plus-bibliografie variant en de author-date-plus-referentielijst variant.

 


Lees meer over:

Of ga terug naar: