Logo Utrecht University

Media en Cultuur – Academische Vaardigheden en Onderzoek

4. Academische samenvattingen

In het eerste studiejaar zul je een enkele keer als opdracht een samenvatting moeten schrijven van een wetenschappelijk artikel (in alle andere opdrachten gaat het juist niet om samenvattingen, maar om specifieke verwerkingen van de gelezen teksten). Het maken van samenvattingen – van boeken, hoofdstukken of artikelen – is echter ook los van expliciete opdrachten de beste manier om stof eigen te maken, of dat nu is voor een tentamen, presentatie of paper. Wen je het maken van samenvattingen zo veel mogelijk aan. Het scherpt je pen, althans als je academisch en zorgvuldig schrijft. Wen je aan om niet bonkig ‘toch maar alleen voor mezelf’ slordige samenvattingen te maken in de trant van:

Habermas schreef over de publieke sfeer, die zat tussen tussen de burgers en de overheid in.

Academischer, en bovendien ook nog bruikbaar voor latere papers, zou zijn:

In zijn werk Structurwandel der Offentlichkeit (1962) analyseert de socioloog Jürgen Habermas de historische transformaties in wat hij noemt ‘de publieke sfeer’. Met deze term beoogt hij xxx.

Wanneer je een paar keer een goede samenvatting schrijft, wordt het steeds gemakkelijker om in één alinea de kern van een tekst te formuleren, die je vervolgens kan gebruiken als bouwsteen voor opdrachten of papers.

Het is goed je te realiseren dat academische samenvattingen anders zijn dan die je gewend bent van de middelbare school. Zo is een academische samenvatting nooit ‘tekstvervangend’, oftewel, je samenvatting moet niet de indruk wekken dat deze evengoed door de auteur van de brontekst geschreven had kunnen zijn. Je neemt als het ware een metaperspectief in, je schrijft over de auteur en de tekst. Tevens is het goed academisch gebruik om een volledige titelbeschrijving van de brontekst te geven, dat wil zeggen inclusief datum, uitgever, jaargang en dergelijke, volgens een gangbaar academisch format (zie bijlage 1 voor verschillende formats). Daar heb je later, als je stof ophaalt voor bijvoorbeeld je BA-eindwerkstuk, echt plezier van.

Een academische samenvatting kan kort of middellang zijn, afhankelijk van de lengte en complexiteit van de brontekst. In principe bestaat een samenvatting uit twee delen: een inleiding en een uitwerking. Een apart concluderend deel is hier niet nodig; dat zit vervlochten in je inleiding en uitwerking. Het tekstgenre is vanzelfsprekend altijd reproductief, maar verder gelden voor het schrijven van samenvattingen grotendeels dezelfde principes als voor korte en middellange teksten: inventariseren en rangschikken; logica en samenhang aanbrengen in alinea’s.

Introductie onderwerp

De inleiding bestaat uit één alinea die als het ware een samenvatting van de samenvatting vormt. Hierin staan de essentiële elementen van de samen te vatten brontekst: onderwerp, vraagstelling, kerngedachte, belangrijkste bevindingen, relevante feitelijke en contextuele informatie, eventueel theoretische positionering en methode van onderzoek. Inventariseer die elementen en maak kladjes van de rubricering en volgorde. Het materiaal daarvoor zal primair te vinden zijn in de titel, inleiding en de conclusie van de brontekst, aan te vullen met informatie uit het middendeel. Pas op dat je je inleiding niet beperkt tot een samenvatting van de inleiding van de brontekst – de kans is groot dat jouw inleiding te veel informatie bevat over de aanpak waarmee de auteur de vraag gaat beantwoorden, en te weinig of zelfs geen informatie bevat over de hoofdgedachte.

Vraagstelling en hoofdgedachte

Introduceer het onderwerp niet algemeen (‘de introductie van de televisie’). Probeer direct te specificeren: naar tijd, plaats en context, en relateer waar mogelijk al aan de vraagstelling (‘de rol van televisie in gezin en samenleving in Frankrijk tussen 1949 en 1968’). Als de vraagstelling niet expliciet benoemd is in de brontekst, zal je hem moeten reconstrueren uit de titel, de inleiding en de conclusie. De vraagstelling heeft vaak betrekking op verbanden, probeer die op te sporen en te benoemen, eventueel in de vorm van deelvragen (wie, wat, waar, waarom, hoe).

Als je geluk hebt, bevat de inleiding of de conclusie een kernzin die je (bijna) helemaal als hoofdgedachte kunt overnemen. Maar meestal zul je moeten grasduinen in het middendeel om een kernzin te formuleren die zo helder en volledig goed mogelijk de hoofdgedachte uitdrukt. Deze ene kernzin is voor de lezer (c.q. de docent, c.q. jijzelf) het belangrijkste houvast – wees hier heel secuur in je woordkeus. Houd het metaperspectief in de gaten: voer de auteur van de brontekst consequent op als een derde persoon die onderzoekt, beweert, verklaart et cetera.

Hoe gedetailleerd moet de inleiding zijn? Deze moet in elk geval feitelijke informatie bevatten die noodzakelijk is voor het begrip van de vraagstelling en hoofdgedachte. Je kunt daarbij denken aan definities en omschrijvingen van relatief onbekende fenomenen, of een debat waarin de auteur een positie inneemt. Licht de kernzin van de hoofdgedachte in ten minste één zin nader toe.

Een voorbeeld van een inleiding van een samenvatting:

In het slothoofdstuk van zijn studie The Media and Modernity, getiteld ‘The Reinvention of Publicness’, werpt de Engelse socioloog John B. Thompson de vraag op wat de beperkingen en mogelijkheden zijn van de rol die media tegenwoordig spelen in het functioneren van de westerse democratie, om vervolgens uiteen te zetten hoe men die bijdrage zou kunnen optimaliseren. Om de nadelen van de toenemende concentratie van mediaconglomeraten in te dammen, pleit Thompson voor een institutionele organisatie van media, hetgeen hij noemt ‘gereguleerd pluralisme’. In reactie op de voortschrijdende globalisering stelt hij een nieuwe definitie van ‘openbaarheid’ voor, waarin vooral gemedieerde, niet ruimte- en tijdgebonden en niet-dialogische communicatie mogelijkheden lijken te bieden om de kwaliteit van de democratie te verbeteren.

De eerste zin bevat het onderwerp, de vraagstelling en zet de lijn van de hoofdgedachte neer. De tweede en derde zin vat de inhoud van de hoofdgedachte kort samen.

Structuurschema

In een samenvatting van 600-800 woorden bestaat de uitwerking uit zo’n zeven tot elf alinea’s. Voor de alineastructuur kun je doorgaans de globale volgorde van de brontekst – en dus je gemarkeerde topische zinnen – aanhouden, maar volg die niet alinea voor alinea. Zoek naar grotere lijnen en verbanden, en probeer die in een kernzin of overgangszin te vatten. Werk op deze manier toe naar een structuurschema, met daarin per alinea kernwoorden en idealiter een kernzin. Maak ook losse aantekeningen van zaken die mogelijk ook genoemd moeten worden, en bepaal later of en waar ze een plek moeten krijgen. Beoordeel voor je je alinea’s gaat uitschrijven of de beoogde volgorde logisch is, en of je helder hebt hoe ze met elkaar in verband staan.

Bij de uitwerking van de alinea’s komt het wederom aan op selecteren, ordenen en detailleren. Neem alleen informatie op die zowel van belang is voor die ene alinea, alsook voor de overkoepelende gedachte. Blijf steeds concreet over de WWWW-vragen maar laat je zinsconstructies met name leiden door de klassieke academische W-vragen naar verbanden: waarom (reden), waartoe (doel) en waardoor (oorzaak). Voorbeelden kunnen zeker ook een plaats krijgen in een academische samenvatting, als je ze maar direct relateert aan de hoofdgedachte: ‘Aan de hand van xxx laat de auteur zien dat xxx.’


Lees meer over:

Of ga naar: