Logo Utrecht University

Media en Cultuur – Academische Vaardigheden en Onderzoek

1. Voorbereiding en ordening

Een gedegen voorbereiding en ordening van je materiaal is – ook bij korte teksten, ook in geval van tentamenvragen – altijd het halve werk. Neem de tijd om stil te staan bij wat er precies van je verwacht wordt, wat de kern is van wat je wilt gaan beweren, uit welke elementen dat bestaat en in welke volgorde dat het beste kan. Doe dat niet alleen in je hoofd, maar ook op papier of het beeldscherm.

Stel de gevraagde tekstsoort vast

Lees de opdracht of vraag goed door en stel allereerst vast wat voor soort tekst er wordt gevraagd: reproductief, beschrijvend, betogend, analytisch, een mengvorm?

Een opdracht kan er bijvoorbeeld zo uitzien: ‘Leg uit welk onderscheid Kazanskij maakt tussen de positie van de acteur in de film en de positie van de acteur in het theater. Licht deze verschillen toe door te verwijzen naar de eigenheid van het theater en de film als medium.’ Deze vraag vereist een reproductief-beschrijvende tekst waarin je de gedachtegang van een auteur zo duidelijk mogelijk weergeeft, en in verband brengt met de twee mediavormen.

In academische teksten gaat de vraag naar ‘reproductie’ overigens verder dan het schoolse reproduceren van definities en andere ingestampte informatie. Zo’n tekst is nieteen simpele schriftelijke ‘overhoring’. De tekst wordt beoordeeld op:

  1. inzicht in een abstracte of complexe gedachtegang,
  2. de analytische vaardigheid om daarin verschillende aspecten te onderscheiden (‘ana- lyse’ betekent letterlijk ‘uit elkaar trekken’),
  3. de schrijfvaardigheid om kernachtig, helder, goed gestructureerd, met voldoende toelichting en de juiste mate aan details te formuleren.

Een ander voorbeeld: ‘Vergelijk tekst A en B op hun visie op probleem X. Welke standpunt heeft je voorkeur? Beargumenteer je keuze.’ Deze vraag vereist een beschrijvend- betogende tekst met een overtuigende onderbouwing van je eigen standpunt. Bij deze – schijnbaar eenvoudige! – opdracht gaat het erom dat je in je schrijven getuigt van:

  1. inzicht in de gedachtegang van beide auteurs,
  2. de analytische vaardigheid om overeenkomsten, verschillen en verbanden te zien,
  3. de analytische vaardigheid om argumenten te beoordelen,
  4. de academische vaardigheid om op basis daarvan een eigen standpunt in te nemen,
  5. de schrijfvaardigheid om je standpunt helder te formuleren en te beargumenteren,
  6. de retorische vaardigheid om je lezer van jouw standpunt te overtuigen,
  7. de schrijfvaardigheid om gedachtegangen, context en argumentaties van zowel anderen als van jezelf te verwoorden.

Een laatste voorbeeld, van een analyseopdracht: ‘Beschrijf de door jou gekozen reclame als een tekenobject. Wordt er naast iconische tekens ook gebruik gemaakt van indexicale en/of symbolische tekens? Wat is de relatie tussen tekst en beeld? Hoe dragen tekst en beeld bij aan het begrijpen van de reclame?’ Deze opdracht vraagt om een analyserende tekst, waarin je aan de hand van theoretische begrippen een bepaalde mediumuiting beschrijft en interpreteert. Zo’n opdracht toetst:

  1. de (vakspecifieke) analytische vaardigheid om primaire bronnen systematisch te beschrijven,
  2. kennis van en inzicht in het gebruik van theoretische begrippen,
  3. de analytische vaardigheid om deze begrippen te gebruiken in een systematische beschrijving en interpretatie,
  4. de schrijfvaardigheid om beschrijving en interpretatie goed gestructureerd, helder, en beargumenteerd te verwoorden.

Vorm een beeld van de mogelijke tekststructuur

Nadat je de tekstsoort en de criteria waaraan je tekst moet voldoen hebt vastgesteld, is het zaak een beeld te vormen van de tekststructuur die daar het beste bij past, zeg maar het globale alineabouwwerk. Op grond van de gevraagde lengte kun je inschatten hoeveel alinea’s je ongeveer nodig zal hebben – reken gemiddeld op zo’n 100-150 woorden per alinea. Voor een korte reproductieve tentamenopdracht zal in de regel één à twee alinea’s voldoende zijn: één waarin je het antwoord kernachtig formuleert, en één waarin je deze uitwerkt met een nadere toelichting en eventuele voorbeelden.

Bij de vergelijkend betoog naar aanleiding van twee teksten, inclusief eigen stellingname, zul je ook voor een korte tekst al gauw drie alinea’s nodig hebben: één of twee voor de weergave van de twee teksten, eventueel een aparte voor de vergelijking (al kan die bij een korte tekst beter al ingevlochten zijn in de weergave) en één voor je eigen visie. Wordt er een langere tekst gevraagd, dan heb je ruimte voor alinea’s die bepaalde aspecten uitwerken, voorbeelden geven, of verschillende argumenten behandelen.

Dat impliceert ook keuzes over de volgorde. Je kunt natuurlijk eerst de beide auteurs en hun gedachtegang introduceren, al dan niet al direct in vergelijking met elkaar, maar je kunt ook je betoog openen met een krachtige presentatie van je stellingname, om dat vervolgens te onderbouwen met argumenten ontleend aan de twee auteurs.

Bij een analyse kun je beginnen met algemene informatie over de bron cq mediauiting, maar je kunt ook direct een vraag of stelling opwerpen, en pas daarna de bron introduceren.

Het gaat in deze fase overigens nog steeds om een beeld van de structuur, nog niet om de tekst zelf – al is het aan te raden om kladjes met schema’s en trefwoorden te maken om dit beeld voor ogen te krijgen.

Inventariseer, selecteer en rubriceer

Vervolgens is het zaak te bepalen welke ingrediënten een plek moeten krijgen in die beoogde structuur. Veel opdrachten bestaan uit een hoofdvraag en één of meer deelvragen. Zet aan de hand daarvan op een rijtje – ook op een tentamen – welke verschillende begrippen, namen, aspecten en dergelijke in elk geval een plek in je tekst moeten krijgen. Cluster elementen die bij elkaar horen, en rubriceer in trefwoorden de mogelijke bouwstenen voor je tekst.

Stel bij thuisopdrachten voor beschrijvende en betogende teksten vast wat je nog moet en kunt opzoeken. Pak de cursusliteratuur erbij, maak gebruik van je markeringen in de stof en van je aantekeningen. Welke concepten, auteurs en citaten kun je gebruiken?

Waarover moet je extra achtergrondinformatie verzamelen? Neem voor een analyse ruim de tijd om je primaire bron te bestuderen, en maak aantekeningen over frappante details. Maak daarbij direct al een scherp onderscheid tussen enerzijds empirische waarnemingen en anderzijds bevindingen die meer op interpretatie berusten.

Bij een langer theoretisch betoog, waarbij je een eigen standpunt moet innemen, gaat het eveneens allereerst om inventariseren en selecteren. Ga na wat je van de betreffende theorieën weet: wat zijn de uitgangspunten en de concepten, welke kritische kanttekeningen zijn hier in het college of in de teksten bij geplaatst? Vraag je af hoe de theorieën zich verhouden tot de kwestie die in de opdracht is aangegeven. Welke vragen zou dat kunnen opleveren, welke ga je behandelen? Inventariseer de voor- en tegenargumenten, maar ook de argumenten die deze weer zouden kunnen weerleggen. Bepaal welk standpunt je het beste kunt verdedigen, en zoek in de literatuur – en in je aantekeningen – naar materiaal ter onderbouwing of nuancering van je argumenten. Zoek zo mogelijk aanvullende bronnen.

Bepaal de volgorde en de structuur

Stel ten slotte vast in welke volgorde je de ingrediënten in een samenhangende tekst kunt presenteren. Vertaal de gerubriceerde elementen naar vragen die je in je tekst zult gaan beantwoorden, en bepaal welke op elkaar aansluiten. Maak daartoe diverse opzetjes, totdat je een structuur hebt die het meest logisch, efficiënt en overtuigend zal zijn.

In een korte tekst moet de belangrijkste informatie (onderwerp, vraag, kerngedachte, stelling) al direct in de openingsalinea terecht komen. Als die staat als een huis, en de uitwerking in de volgende alinea’s is logisch en overtuigend, dan is het meestal niet nodig om een aparte alinea te reserveren voor de conclusie – een concluderende slotzin volstaat dan.

Bij langere, betogende teksten is het niet noodzakelijk, en ook niet erg elegant, om direct in je openingsalinea je emmer leeg te gooien. Je kunt ook met een anekdote beginnen, of met een andere vorm van contextschildering. Houd in ieder geval in je achterhoofd: een goede tekst heeft één leidende gedachte. Formuleer die voor jezelf, en maak de ordening van je tekst en alle onderdelen hieraan ondergeschikt.


Lees meer over:

Of ga naar: