Logo Utrecht University

Media en Cultuur – Academische Vaardigheden en Onderzoek

5. Methode en verantwoording

Hoewel een theoretisch kader al aanknopingspunten kan bevatten voor een mogelijke aanpak van je onderzoek, levert dat niet vanzelf een uitgewerkte methode op. Je object en theoretisch perspectief geven een richting aan: wat wil je te weten komen over je object, gegeven de vigerende debatten en wat er al over bekend en getheoretiseerd is? Je onderzoeksmethode is echter vooral gekoppeld aan je specifieke vraagstelling: hoe is die te beantwoorden, op welke wijze kun je aan de benodigde data en bronnen komen, hoe ga je die ordenen, analyseren, beoordelen en interpreteren? Een methode is meer dan zomaar een wijze van aanpak; een wetenschappelijke methode is systematisch, gecontroleerd dan wel controleerbaar en reproduceerbaar. Zeg dus nooit losjes dat je methode bestaat uit ‘literatuuronderzoek’ – dat is geen specifieke methode, dat is de activiteit die hoort bij elke vorm van academische productie. (En spreek ook niet van ‘literaire bronnen’ als je gewoon bedoelt ‘geschreven bronnen’ – literaire bronnen bestaan uit romans en gedichten.) Zelfs een op zich gangbare methode als ‘bronnenonderzoek’ is geen voldoende omschrijving van je methode; specificeer altijd het type bronnen en de wijze waarop je ze behandelt (historisch bronnenonderzoek, discours analyse, narratieve analyse, vergelijkende corpus analyse etc).

Bij het verantwoorden van je methode gaat het er kortom om dat je concreet benoemt welke stappen je onderneemt c.q. hebt ondernomen om tot een antwoord op je hoofdvraag te komen. De eerste kwestie die zich daarbij voordoet, is de vraag naar welke wijze van materiaalverzameling past bij je object en je vraag: moet je kwantitatief aan de slag, oftewel tellen en meten om je hoofdvraag te beantwoorden, of gaat het om de relaties tussen kwalitatief verschillende aspecten? Of wellicht een combinatie van beide? Denk niet te gemakkelijk over tellen en meten, je zult gedegen kennis moeten hebben van statistiek, steekproeven, representativiteit, validiteit, en significantie. Bovendien moet je constant afvragen: wat weet ik als ik deze variabele meet, hoe draagt dat bij aan het beantwoorden van mijn hoofdvraag? Denk ook niet te gemakkelijk over kwalitatief onderzoek: je zult de betreffende kwalitatieve aspecten en concepten nauwkeurig moeten definiëren, operationaliseren, en categoriseren. En ook hier moet je je constant afvragen: wat weet ik als ik dit uitwerk, hoe draagt dat bij aan het beantwoorden van mijn hoofdvraag?

Elk media-, communicatie- of cultuurobject is in principe, op welke schaal dan ook, zowel kwantitatief als kwalitatief te onderzoeken. Het kan gaan om de analyse van specifieke producten (teksten, films, tv-programma’s, websites, applicaties, theaterstukken, scripts, kunstuitingen et cetera), maar ook om de analyse van het productieapparaat (institutionele en organisatorische setting, politiek-economische of bestuurlijke inbedding, productieprocessen en businessmodellen) of juist de consumptie-kant (receptie-, publieks- en gebruikersonderzoek, sociaal-culturele toe-eigening). En niet zelden bestaat media- en communciatieonderzoek juist uit het opsporen van verbanden tussen twee van deze drie aspecten.

De aankondiging dat je iets kwantitatief dan wel kwalitatief gaat analyseren is nog geen beschrijving en verantwoording van je methode: het gaat erom dat je exact en academisch omschrijft wat je hebt gedaan. Volsta dus niet losjes met te zeggen dat gaat ‘kijken naar’, ‘letten op’ of ‘vergelijken tussen X en Y’ maar operationaliseer de gebruikte categorieën en criteria; zeg niet dat je werkt ‘aan de hand van een analyse’ maar benoem – in het vocabulaire dat gangbaar is in je vakgebied – het type analyse en method Raadpleeg daartoe de geëigende methodologiehandboeken en je cursusmateriaal.

Vraag je af welke methode het beste bij je theoretische uitgangspunten en je onderzoeksvraag past. Op welke bronnen, gegevens en data heb je al zicht (mediateksten, beleidsstukken, onderzoeksverslagen, egodocumenten als homepages of weblogs etcetera) en welke ga je vergaren in je onderzoek? Hoe doe je dat, door middel van groepsdiscussies, interviews, participerende observatie, inhoudsanalyse of enquêtes? Hoe verkrijg je deze gegevens, en hoe ga je ze analyseren en interpreteren? Gaat het om mediateksten c.q. objecten, hoeveel dan, of fragmenten uit teksten en hoe selecteer je deze? Gaat het om gebruikers en publiek: hoe kom je aan je respondenten, hoeveel heb je er nodig, hoe verantwoord je je selectie?

Empirisch en/of analytisch

Onderzoeksmethoden zijn op verschillende manieren in te delen, bijvoorbeeld in termen van kwantitatieve vs kwalitatieve methoden, of empirisch vs analytisch. Geen enkele indeling is sluitend of vrij van wetenschapsfilosofische problemen, en dat geldt ook voor de hier gekozen indeling in empirisch/analytisch. Niettemin kan deze schematische indeling van verschillende onderzoeksbenaderingen behulpzaam zijn bij het bepalen en omschrijven van je methode(n):

Empirische benaderingen

  • experiment (gecontroleerde manipulatie van specifieke variabelen)
  • kwantitatieve dataverzameling (b.v. verkoopcijfers, bezoekersaantallen, verkeersdata)
  • kwantitatief en/of kwalitatief publieksonderzoek (b.v. middels steekproeven, open of gesloten vragenlijsten, interviews, focusgroepen, etnografie, observatie)
  • case study (b.v. middels participerende observatie, etnografische thick description, content analyse, usability-onderzoek, netwerkanalyse).

Analytische benaderingen

  • tekstanalyse9 (b.v. middels close reading, retorische analyse, semiotische analyse, ideologiekritiek, representatie-analyse)
  • discourse- c.q. discours10-analyse (b.v. gespreksanalyse, tekstcorpusanalyse, bronnenonderzoek naar een maatschappelijk of disciplinair vertoog)
  • historiografische analyse (b.v. archief- en bronnenonderzoek, media-ecologie, media- archeologie)
  • meta-analyse (statistische aggregatie/combinatie van bestaande kwantitatieve onderzoekssurveys)
  • conceptuele analyse (filosofische vooronderstellingenanalyse).

Merk op dat empirische benaderingen zowel kwantitatief als kwalitatief van aard kunnen zijn, evenals analytische benaderingen. Verder zal duidelijk zijn dat de bovenstaande opsomming ongelijksoortige categorieën en elementen bevat. Soms zijn de omschrijvingen afhankelijk van het te onderzoeken object (een publieksgroep, een mediumproduct, een fenomeen, een interactiepatroon) en soms van het theoretisch perspectief (bijvoorbeeld verschillende vormen van tekst- en discoursanalyse). Soms gaat het om benaderingen, soms om specifieke methoden, of submethoden. De opsomming is er vooral op gericht om je een idee te geven van het vocabulaire waarin je over onderzoeksbenaderingen en methoden kunt spreken, en hoe secuur je daarin moet zijn. En nogmaals, ‘literatuuronderzoek’ is geen methode, submethode of benadering, maar het vanzelfsprekende voorwerk dat hoort bij elk type onderzoek.

Overigens moet ook worden benadrukt dat de indeling in enerzijds empirisch (oftewel gebaseerd op directe waarneming) en anderzijds analytisch (gebaseerd op interpretatie en analyse) in zekere zin kunstmatig is. Immers, elke waarneming is noodzakelijkerwijs ook een kwestie van a priori categorisering en dus interpretatie; en elke interpretatie is tevens een uitspraak over de waarneembare werkelijkheid en de verbanden daarbinnen. Tel daarbij op dat het van media-, communicatie- en cultuuruitingen geenszins op voorhand duidelijk is of deze behoren tot de direct waarneembare empirische werkelijkheid of dat zij die (re)mediëren, en het ontologische en epistemologische mijnenveld is compleet.

Wel is het zo dat verschillende disciplines en scholen dat mijnenveld op verschillende manieren betreden. Zo kan in het algemeen gezegd worden dat disciplines als media- en cultuurwetenschappen, cultural studies en gender studies de epistemologische problemen eerder expliciet een plek geven dan bijvoorbeeld klassieke communicatiekunde.

In de mediawetenschappen zijn er dan ook onderzoekstradities waarin men spreekt van methodologie (een samenhangend geheel van theorie, methode en analyse) in plaats van over methoden als neutrale instrumenten. Discoursanalyse impliceert daar bijvoorbeeld een ander object en aanpak van onderzoek dan in communicatiestudies, voortkomend uit theoretische aannames over de sociaal ordende en cultureel betekenisgevende functie van discoursen. Hier verwijst de term ‘discours’ dus naar maatschappelijke en institutionele vormen van spreken, vastleggen en reguleren, en niet naar geschreven of gesproken taaluitingen op zich. Het verschil tussen ‘discourse’ en ‘discours’ refereert aan verschillende disciplines en methodisch/theoretische perspectief ‘Discourse’ verwijst binnen communicatiekunde en taalbeheersing naar gesproken tekst of een relatief klein afgebakend corpus van geschreven teksten; binnen media- en cultuurwetenschappen verwijst ‘discours’ in de regel naar de door Foucault geïnspireerde machtsanalyse van discursieve formaties als een maatschappelijk ordenend dispositief dat meer omvat dan slechts talige uitingen.

Er bestaan binnen de media- en communicatiewetenschappen veel vooroordelen over en weer over elkaars benaderingen. Vaak wordt het onderscheid tussen empirische en analytische benaderingen gelijkgesteld aan het onderscheid tussen kwantitatief en kwalitatief, tussen representatief en speculatief, tussen objectief en subjectief, of tussen precies en vaag. Zo’n gelijkstelling is echter onzinnig: beide benaderingen vergen een systematische en gecontroleerde werkwijze tijdens het onderzoeksproces, en beide bevatten empirische én creatieve én interpretatieve stappen. Wel is het zo dat kwalitatief analytisch onderzoek eerder geïnteresseerd is in sociaal-culturele betekenisgeving en ideologiekritiek, en dat anderzijds kwantitatief empirisch onderzoek meer geïnteresseerd in representatieve of experimenteel onderbouwde uitspraken waarmee processen zijn te voorspellen of te beïnvloeden.

Maar nogmaals, het verschil tussen empirische en analytische benaderingen is niet hetzelfde als dat tussen kwantitatieve en kwalitatieve methoden. Een observerend onderzoek naar de receptie van retroprogramma’s in allochtone gezinnen – een kwalitatieve aanpak dus – is bijvoorbeeld empirisch van aard. Maar ook de kwantitatieve inhoudsanalyse van een corpus van mediateksten, bijvoorbeeld onderzoek naar de representatie van de protestgeneratie in retroprogramma’s, is empirisch van aard, ook al vormen uitsluitend mediateksten het empirische materiaal van het onderzoek.


Lees meer over:

Of ga naar: