Logo Utrecht University

Media en Cultuur – Academische Vaardigheden en Onderzoek

4. Theorieën en concepten

Vaak bevat je vraagstelling (evenals het object en de relevantie) al vele aanknopingspunten voor je interpretatieve kader, het theoretische raamwerk dat je destilleert uit reeds gedaan onderzoek en bestaande theorievorming. Het is goed om voor ogen te houden dat een theorie niet iets externs, iets extra’s van buiten de praktijk is die je ‘er bij moet halen omdat het nu eenmaal academisch moet zijn’. Je object en je vraag zijn in feite al voorverpakt in impliciete concepten en visies, die reeds een bepaalde samenhang en verklaringen suggereren, en het is zaak die expliciet te maken.

Wat is nu het verschil tussen een theorie en een concept? Globaal kunnen we zeggen dat een concept – een term, een begrip – onderdeel is van een groter samenhangend geheel. Dat grotere geheel wordt theorie genoemd: een theorie is dus een intern consistente set van uitspraken, concepten en veronderstellingen, met als doel bepaalde verschijnselen te benoemen, te classificeren en te verklaren. Dat impliceert dat als je werkt met een bepaald concept je niet kunt volstaan met het geven van een definitie maar dat je het concept in de context van de theorie moet plaatsen.

Een theorie kan groot en uitgebreid zijn (bijvoorbeeld darwinistische evolutieleer, marxistische maatschappijanalyse, feministische standpointtheorie) of kleiner en beperkt tot een bepaald aspect van een vakgebied (bijvoorbeeld publieke-sfeertheorie, injectienaaldtheorie over massamedia, of psychoanalytische filmtheorie).

Met theorie kun je heel veel doen in de praktijk: je kunt er dingen mee verklaren, bekritiseren, aantonen, toetsen of voorspellen. Wat je er in feite niet mee kan, is ‘toepassen’ – een theorie is geen recept of een formule. Als je bijvoorbeeld de intuïtie hebt dat retroprogramma’s iets te maken hebben met het genot van nostalgische gevoelens, is het niet voldoende om een theorie over nostalgie op te zoeken en deze vervolgens ‘toe te passen’ door de kenmerken van retroprogramma’s te toetsen aan een set uitspraken over het wezen van nostalgie. Veeleer neem je de theorie over nostalgie als uitgangpunt om je vragen gerichter te kunnen stellen.

Een theorie is metaforisch te beschouwen als ‘een specifieke bril die je opzet’ zodat je bepaalde aspecten van het fenomeen of object kunt zien. De wetenschapsfilosoof Karl Popper zag theorieën als ‘zoeklichten’, maar je kunt ook denken aan een microscoop of een verrekijker. Met een theorie zie je kortom dingen en vooral verbanden die je anders niet zou zien, en kun je vragen stellen die anders niet opkomen. Vanuit een bepaalde theoriebril blijven dus ook per definitie zaken onderbelicht of zelfs onzichtbaar; realiseer je dat, en benoem dat ook.

Begin bij wat er al circuleert aan begrippen en theorieën rond je object en je vraag. Wat is het veld, wie zijn de spelers, wat zijn de stromingen, visies, scholen, botsingen? Een handig begin is het schetsen van een veldoverzicht en daarin een gat, een hiaat signaleren dat jij gaat opvullen met je onderzoek. Daarmee legitimeer je in één klap de wetenschappelijke relevantie van je onderzoek en introduceer je de theoretische context waartoe je je verhoudt.

Als je bijvoorbeeld het media-economische onderzoek naar retroprogramma’s behandelt, kun je opperen dat er in dat perspectief sociaal-culturele factoren buiten beschouwing blijven. In wezen pleit je daarmee impliciet al voor een ander zicht op het fenomeen. Je wilt in je onderzoek bijvoorbeeld culturele aspecten nader belichten: waarom zijn retroprogramma’s nu populair? Welk discours over het verleden wordt er geconstrueerd in deze programma’s? Ga op zoek naar disciplines, auteurs en concepten die je kunt relateren aan je object en je vraagstelling. Je kunt daarbij niet volstaan met het noemen van disciplinaire richtingen als sociologisch, psychologisch, of cultuurkritisch; elke disciplinaire richting kent immers uiteenlopende theoretische stromingen en auteurs. Ook wanneer je bijvoorbeeld van ‘de’ ideologiekritische benadering of ‘de’ cultural studies benadering uitgaat, ben je genoodzaakt je daarbinnen specifieker te situeren: om welke begrippen, auteurs en scholen gaat het je precies? Bepaal je kernconcepten, en introduceer ze, niet alleen met hun definitie maar vooral met hun context: wanneer is door wie met welk oogmerk het concept of de theorie ontwikkeld, voor welk probleem was die theorie een oplossing, en hoe verhoudt zich dat tot jouw onderzoek?

Voor het fenomeen ‘retroprogramma’s’ zou het bijvoorbeeld kunnen gaan om de volgende clusters van concepten:

  • media-economie, herexploitatie, culturele industrie, marketing;
  • cultureel geheugen, collectief geheugen, canonisering, media als audiovisueel archief;
  • amusement, nostalgie, vervreemding, camp;
  • media en identiteit, smaak, fandom.

Het moge duidelijk zijn dat je in een cursuspaper of eindwerkstuk niet al deze termen en de bijbehorende theorieën en auteurs uitgebreid kunt behandelen, je moet dus keuzes maken, altijd gerelateerd aan de overige aspecten in de schijf van vijf: wat kun je onderzoeken, wat is relevant? Verantwoord altijd je keuzes: wat is de relatie met je vraag en je object?

Houd ook voor ogen dat geen enkele theorie onaantastbaar is. Theorieën kunnen nieuw licht werpen op praktijken, maar evengoed andersom. Soms is het zaak een theorie of concepten aan te passen, te verfijnen of nieuwe concepten voor te stellen op grond van je onderzoeksbevindingen. Dat is zelfs bij uitstek de manier waarop kennis en wetenschap zich verder ontwikkelt. Vanzelfsprekend vereist dit wel een grondige kennis van de aan te passen of te bekritiseren concepten.


Lees meer over:

Of ga naar: